Stedelijk museum, Schiedam


<
>

Will be translated.

De verspreiding van musea waarin hedendaagse kunst wordt getoond in Nederland concentreert zich in de provincie Zuid-Holland. Aangekondigd in Schiedam staat “De werkelijkheid van Jan Schoonhoven”. Op 29 oktober 2015 wordt de expositie nog opgebouwd maar er is al wel wat te zien. Opvallend in de gallerij op de eerste verdieping boven de entreehal het witte reliëf van het affiche. Een raster of raamwerk van een aantal in tweeën gedeelde kleine vierkantjes. Een monnikenwerk, zoals bij alle rasterwerken van Jan Schoonhoven is het een spel van licht en schaduw.

Jan Schoonhoven was van de Nul beweging. Er hangen hier meer werken van de Nul beweging die ook in het Stedelijk in Amsterdam te zien waren. Armando, Henderikse en een installatie met zakjes water van Henk Peeters dat een restant is van de expositie uit 2012. Het mocht blijven want het is nu een onderdeel van de expositie die heet Ik hou van Holland. Deze expositie betreft alleen Nederlandse kunstenaars en hun werk van 1945 tot en met heden. Zoals in grotere musea altijd meer is dan in de kleinere musea zijn hier minder grote meesters, minder zakjes water van Peeters, minder CobrA en een kleinere wand met minder kratjes bier van Henderikse. Het geheel is daarom niet minder.
Er zit een schoolklas voor het werk van Peters. De leraar legt uit dat Peeters alleen het idee had opgeschreven en dat anderen het uit konden voeren volgens zijn ontwerp. Een leerling vraagt of het water niet uit de zakjes verdampt en of de zakjes niet bijgevuld moeten worden. ‘Om de drie maanden’ is het antwoord. De zakjes steken aan de bovenkant door nauwe ronde gaten waarachter ze door tiewraps zijn dichtgebonden en blijven hangen.


De zolder is voor CoBrA. Er hangen vooral Appels en ook Asger Jorn is goed vertegenwoordigd. Links en rechts een Corneille of een Constant Nieuwenhuijs. De schoolklas zit voor een Lucebert. De onderwijzer vraagt wat de kinderen zien. Een olifant, een vogel, een ezel, een grote mug. Naast de Lucebert hangt een Constant.


In de expositie Ik hou van Holland kom je uiteraard veel bekende namen tegen, maar ook minder bekende: al dood, oud of nog volop in leven. Van J.C.J. Vanderheyden tot Rob Scholte. Een groot waterig jongensgezicht, hij kijkt je oprecht aan, van de gevierde Marlene Dumas,


...en een grote mislukte geborduurde of bestikte carnavalsfoto in vloekende kleuren en met afzichtelijk verminkte gezichten van Berend Strik. In het Borduurmuseum in Barneveld zou dit zeer waarschijnlijk niet door de ballotage komen.


Serieuzer werk is van de begin vorig jaar overleden Schiedammer Daan van Golden.


Dan zie ik op een video opeens het legendarische zwart-wit tv verslag waarin Wim T Schippers een flesje Gazeuse bij Petten in de Noordzee leeggiet. Hij noemde het een ‘Waarachtig oninteressant feit’. Het interessante is de aandacht van de media en de onwennige sfeer die er omheen hangt. Eigenlijk is dit water naar de zee dragen een van de eerste performances, ver voor Abramović.  


Er zijn geprojecteerde teksten op de muur bij iedere kunstenaar.  Zo zegt Henk Visch dat kunst maken aankomt op overdrijven. Hij heeft een ondersteboven houten mensfiguur grof uit hout gehaald en zwart geschilderd. Er ligt een oude kapotte accordeon op. Het feit dat het ding kapot is leidt me af. Hij is beschadigd en er is een toets af. Waarom? Omdat Henk deze accordeon kon krijgen of zelf toevallig op zolder had liggen? Het irriteert me. Met een goede accordeon, die mag ook best donkerbruin zijn, was het idee achter het beeld duidelijker geweest, maar omdat de toetsen niet meer bespeelbaar zijn is de inhoud betekenisloos geworden. Ja oké, de figuur heeft geen armen, hij kan -toch- niet spelen. Ik heb vaker gezien dat Visch liever geen armen uitbeeldt. Hij heeft het werkstuk uit 1984 gemakshalve genoemd: For all that is forgotten.  


Dan liever de echte oude rommel van Jan Henderikse. Zoals hier een assemblage van verschillende rode, blauwe en bruine voorwerpen; troep. Potjes, blikjes, een spuitbus, een Colgate verpakking, een nummerbord uit Curaçao en meer gevonden rommel vastgemaakt aan een plank. Een duurzame manier om je atelier op te ruimen. Selecteren, sorteren en componeren met afval.  


Joep van Lieshout is obligaat aanwezig met twee werken. De eerste is een langgerekt wit polyester mannetje dat op handen en voeten een stoel op wieltjes voorttrekt. Je ziet een machtsverhouding, effectief uitgebeeld. Ik schiet in de lach als ik in de folder van het museum lees dat het polyester mannetje bijna een Playmobil poppetje is. Hoe komt zo’n curator, of de verantwoordelijke voor de folder, erbij. Een vergelijking met de Crawling man van Keith Haring zou meer op zijn plaats zijn.


Het andere object van Joep bestaat uit betonnen tegels die kratjes bier omsluiten. Hierbij gaat het om de uniforme maatvoering van de industriële producten. Eenzelfde simpele samenstelling, maar dan weer groter, met twaalf in plaats van zes kratjes, zag ik in het Boijmans Van Beuningen. De geprojecteerde tekst bij Joep van Lieshout lijkt betrekking op beide werkstukken hier: “Ik ben gefascineerd door macht, door organisaties en systemen.” Ik kan de gedachte niet onderdrukken dat ik Joep en zijn personeel ‘s avonds na een drukke en vrolijke dag in zijn ateliers zie rommelen met de tegels die er toevallig liggen en wat kratjes bier. Als de kratjes bijna leeg zijn hebben ze de ‘installatie’ klaar. Dan trekt Joep het laatste flesje open met de woorden: ‘Als we er op een interessante manier bij vertellen hoe mooi dit bij elkaar past krijgen we dit wel in de musea, proost.’ Ik pak mijn rolmaat, de tegels zijn: 40 x 60 cm. Twee kratjes zijn 60cm breed. Een kratje met een tegel er op en een tegel eronder is samen ook 40 cm hoog.



Nog leuker. Aernout Mik lijkt het mooi “...dat je als de toeschouwer niet meer weet waar je bent en onthecht raakt”. Zijn filmpje, zonder geluid, laat een drietal mannen zien in een garage of schuur. Er liggen wat autobanden en er staan een paar oude BMW motoren. De mannen staan stil, praten met elkaar en lopen wat heen en weer. Ze drinken uit plastic bekertjes en spugen dit weer uit. Terug in het bekertje of op de grond. Inderdaad een contrast met een museale sfeer. Het is begrijpelijk waar hij heen wil maar het onthechten lukt niet omdat het te nep is; de mannen op het filmpje acteren als onwennige kunstenaars die een performance opvoeren, dus toch museaal.  


We lopen het museum weer uit en ik overdenk de witte werkelijkheid van Jan Schoonhoven. Het werk van de Nul-beweging waarin de individuele rol van de kunstenaar tot het minimum wordt beperkt. Geen tragiek. Wel grafiek. Schoonhoven ontwerpt kunstwerken, Henderikse componeert ze. Langs de kade eten we ons meegebrachte boterhammetje en kijken we naar een molen.