Wiels, Brussel


Will be translated.
   Het is 1 juni 2017. Omdat het wat verder uit het centrum is kunnen we hier achter het gebouw de auto neerzetten. Ja, Wiels heeft een eigen parkeerplaats. Het gebouw, of eigenlijk de gebouwen, zijn van een oude bierbrouwerij.


Als we binnenkomen in de lunchroom lopen we tussen drie kolossale koperen brouwketels door.
  In mijn schrijfsels is een aantal van de bezochte locaties geen museum. In Brussel is Wiels, net als Centrale of CAB, eveneens geen museum. Maar in de volksmond wordt het toch het Wielsmuseum genoemd, niet geheel onterecht, want als we het over hedendaagse kunst hebben is hier meer te zien dan in de Koninklijke Musea. En niet het werk van de minsten. Wiels bestaat tien jaar. De tentoonstelling heeft de toepasselijke titel: Het afwezige museum.

    Voor dit jubileum is het vandaag de eerste dag van de expositie van 47 kunstenaars. Een gevarieerd internationaal gezelschap waarvan er een aantal relatief in de buurt wonen, is verspreid over drie gebouwen. In dit hoofdgebouw staan er vier verdiepingen op de plattegrond. Er zijn geen roltrappen maar liften en we besluiten met de lift naar boven te gaan en dan naar beneden te lopen via de trap. Dat blijkt een goed plan want als de liftdeuren boven opengaan duizelt het heel even.


   Voor de vrij donkere en kleine lift is een groot glazen raam en hoog in de licht bewolkte blauwe lucht kijk je opeens uit over Brussel. In de verte veel bruggen en rangerende treinen.


   Op het dakterras is voor het eerst een werk te zien. In het midden heeft de Engelse Ann Veronica Janssen voor Het afwezige museum een blauwe duiventil neergezet. Gewoon, een grijs hok, het nachtverblijf en daaraan een evengrote kooi van lichtblauw gelakte palen en gaas. Binnen staan voederbak en drinkbak. De klep staat open en de duiven zijn momenteel ook afwezig. Verlatenheid in de open lucht op een dak in Brussel.


   Als ik een verdieping lager de hoek omga word ik verrast door meer geordende rommel. Herkenbaar; Isa Genzken.
Op de grond liggen twee versleten etalagepoppen slordig op een aluminium plaat. De poppen hebben astronautenhelmen op. De ene ligt onder een gekleurde gestreepte lap en heeft een soort van lompe Crocs aan, de ander is omwikkeld met aluminiumfolie. Ernaast staan twee koffertjes en een ronde bak met oranje fluorescerende verf. Aan de twee muren er omheen die ook zijn bekleed met aluminium platen, hangen op een plek wat foto’s van ruimtevaarders. Het mag niet maar bij deze opstelling wil je ook niet te dichtbij komen. Je denkt bij dit decor meteen aan radioactiviteit. De installatie is geleend van Museum für Moderne Kunst Frankfurt-am-Main.

  Er hangen abstracte, organische vormen aan de muur, ze lijken gesmolten en weer gestold, er zit craquelé in en ze hebben een grillige omtrek. Blauw, wit en groen. Een paar Belgen, een man en twee vrouwen, vragen zich af hoe en waarvan dit werk van Rosemarie Trockel gemaakt is, en of het misschien piepschuim is. Ze staan er met hun neus op. Ik herken haar stijl van een werk dat ze bij Ceramix in het Bonnefantenmuseum liet zien. Als ik zeg dat het geglazuurd keramiek is vragen ze zich af of er dan piepschuim is gebruikt tijdens het maken. Het zou verbranden in de oven is onze conclusie.


   We zijn aan de andere kant van de verdieping en gaan een trapje lager.
   Piet en Shirin staan al snel voor een collage waar ze zich vrolijk over maken. Ze vatten het treffend samen met: ‘een beetje weird’. Vreemd is het zeker. Met de titel Aboe Simbel laat Ellen Gallagher (1965) de Egyptische oude koningen zien van het archeologische complex met toevoegingen. Een vrolijke gele vliegende schotel met blauw nepbont beamt twee rode stralen naar de statige koningen. Ogen en monden en hier en daar bladgoud zijn er opgeplakt, de sokkels onder de voeten zijn vervangen door airconditioning-units. Het decor van het rotsachtige landschap is bezaaid met afgehakte hoofdjes, ook met lichtgevende oogjes, losse ogen en monden. Tussen de monumenten staan enkele verpleegsters met rode oogjes.


  Een zaaltje is voor Marlene Dumas. Wat kleinere koppen als die je vaker van haar ziet, de voor haar bekende waterige zwarte inktvlekken die vaak zo willekeurig lijken en haast abstracte gezichten vormen heeft ze nu precies zo op het papier laten vloeien waardoor er een serie fotorealistische portretten is gecreëerd. Met deze serie getiteld Great Men uit 2014 laat zij zien dat zij met haar techniek volleerd is. Iedereen die vooroordelen heeft over de capaciteiten van Marlene Dumas zal ze bij het zien van deze werken voorgoed moeten laten varen. Je ziet James Baldwin, Michel Foucault, Alan Turing, Paul Verlaine en meer portretten van beroemde mannen die vanwege hun homosexuele geaardheid gediscrimineerd, mishandeld en zelfs vermoord zijn.

    Piet ziet een stopcontact en terwijl hij vraagt of hij hier zijn telefoon mag opladen -dat mag- staar ik naar de lift. Schindler staat erboven. Ik zoek het op. Er is zelfs een liftenmuseum in het gebouw van Schindler liften hier in Brussel. Schindlers lift. Ik vraag me af in hoeverre Oskar Schindler familie is. Oskar van de gelijknamige film Schinder’s List.


   Op de eerste verdieping is een zaaltje waar het vanaf een afstand gezien heel druk leek maar het blijkt dat de zaal vol zit met levensgrote poppen. Een eenvoudig getimmerde houten tribune rondom is voor meer dan de helft bezet met het opgezette publiek. Van die poppen die je weleens bij een huis ziet zitten als er iemand vijftig jaar wordt. Opgevulde kleding, laarzen, handschoenen en beschilderde koppen van papier-maché met af en toe een hoed of pet op. Het is werk van de in Londen wonende Colombiaan Oscar Murillo (1986). De poppen zien er ook uit als Columbianen, in arbeidersoutfit, sommige meer getint en besnord dan anderen. De mannen zijn verreweg in de meerderheid. Doordat je er middenin loopt krijg je het idee dat je zelf onderdeel van de installatie bent. Het publiek kijkt naar jou, in plaats van naar een hanengevecht of naar een rede van Oscar Murillo’s vader als vakbondsleider (dat laatste las ik ergens). De koppen kijken ernstig, verbaasd of hebben de mond open. De handen naast zich of op de knieën. Naarmate je je fantasie er meer mee laat spelen loopt de spanning op. Alsof ze gaan joelen. Nadat ik het publiek dichter in de gezichten heb gekeken schuifel ik naar de kant en zeg tegen de Afrikaanse suppoost die bij de deuropening zit: ‘Je zit tenminste nooit alleen’. Hij heeft meteen zijn antwoord klaar: ‘Maar ze zijn zo stil he’.


Er staan meerdere tafels. Eentje met botten en een ander heeft een houten blad, dusdanig uitgesleten zodat er een gat in zit. Ja hoor, recht eronder op een zwart papier ligt een klein plasje. Bij nader inzien is het geen vloeibaar plasje maar het kaartje van Afrika, geknipt uit een atlas. Je maakt automatisch de associatie met droogte en schaarste van water.
   Dan zijn we weer beneden bij de brouwketels. Piet en Shirin gaan wat te drinken kopen en ik loop nog even naar de andere gebouwen die voor deze gelegenheid ook zijn opengesteld.

   In het eerste gebouw, het is wat bouwvallig, zijn installaties met geglazuurde torens, er is een verzameling etalagepoppen gehuld in teksten: curator, museum director, etc. en een installatie waar letterlijk een druppel op een gloeiende plaat valt. Pang, klinkt het hard om de twintig seconden. Pang.

   Het tweede gebouw is nog bouwvalliger. Een ruimte is ingericht voor een knuffelaapje ‘The new emperor’ en in een andere ruimte zijn een paar werkstukken van Mark Manders (1968). Fragmenten van hoofden tussen en om planken. Opvallend is een enorm schuin liggend half hoofd, van zeker tweeënhalve meter. Het ziet eruit als drogende klei want het zit vol scheuren. Ik denk aan een restant van Pompeï. Nee wacht; er staat bij Dry Clay Head, painted bronze...

  De astronauten van Genzken en het publiek van Murillo zijn voor mij een aanleiding om zulke poppen te maken... De betekenis komt vanzelf maar is nu nog even afwezig, net als het museum.