Documenta Halle, Kassel


Will be translated.

  In 1992 werd de Documenta Halle voor het eerst in gebruik genomen voor Documenta IX toen Jan Hoet curator was. Het is 8 juni 2017 en we zijn inmiddels bij Documenta XIV.
   Het is druk hier, maar dat geeft niet want meteen na de entree doen eenentwintig Indianenmaskers die op lange staven staan de mondhoeken omhoog liften. De gekleurde koppen, een toekan, een man met snor, een kikker, konijn en meer ondefiniëerbare mensenhoofden en dieren zijn gemaakt door de Canadees Beau Dick, een Kwakwaka'wakw. Kwakwaka'wakw betekent "Degenen die Kwak'wala spreken". Deze koppen behoren tot de Kwakwaka'wakw kunst. De serie die aansluit bij een traditionele Kwakwaka'wakw ceremonie heet ‘Undersea Kingdom’ en Beau Dick gebruikte er allerlei verschillende materialen voor; acrylverf, rubber, schors, nep bont en veren, cederhout, abalone schelpen, mica, koper, kwarts, leer, kleding en paardehaar.

  Tegen de aansluitende muur hangt een geluidsinstallatie van Alvin Lucier (1931) Sound on paper. Het zijn speakertjes achter zes ingelijste verschillende soorten papier op A2 formaat en het ratelt, trilt, en rommelt. De dikte van het papier lijkt de frequentie te bepalen. Het eerste vel is zo dun dat je het speakertje er goed doorheen kan zien. Sommige vellen zijn grof van textuur, sommige glad en glimmend. Het valt op dat mensen nu eens niet zo intensief kijken maar er, net als wij, achter elkaar met een oor langslopen. Toch denk je niet aan speakerboxen. Nee, je denkt aan witte schilderijen die geluid maken. Lucier noemde zich volgens begeleidende tekst een fenomologist. Dit is uit 1985.


   In een lichte zaal hangen negen vierkante olieverfschilderijen van Stanley Whitney. De kleurencomposities knallen eruit en ondanks dat zijn ze ook rustig. Heel eenvoudig een lappen deken.  Eenzelfde patroon en verschillend van kleur: vijf horizontale lijnen, met een brede kwast opgezet en daartussen vier of vijf vlakken vlot ingekleurd. Ik zie geen logica in de kleurentoepassing. Het is nonfiguratief en het lijkt willekeurig te zijn samengesteld maar al zet Stanley makkelijk rood naast oranje, het vloekt niet echt.

   We lopen een trap af een grote hal in, daar zijn zes items. Het meest in het oog springend zijn de in het midden hangende wrakken van afgebroken scheeps-boegen. De ribben van het karkas steken eruit. De boten waren lichtblauw en donkerblauw maar van die kleuren is weinig over. De verf is eraf gesleten en om accent te leggen op het vergaan zijn er losse plaatjes roestig metaal aan gehangen. Dit heeft ongetwijfeld alles te maken met de bootvluchtelingen casu quo scheepsrampen op de Middelandse Zee. Het is in ieder geval een imposante installatie.

  Dan zien we opeens Beatrix Ruf staan, de directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam. Ik vraag haar of ze mijn berichten over het project Museale Beelden heeft ingezien maar ik weet niet meer naar welke curator ik het had gestuurd. Dus ik geef een korte uitleg en vertel haar ook over de Museumcontainer die André en ik pas beschilderd hebben (zie hoofdstuk De Appel). Ze is zeer geïnteresseerd en vraagt me vriendelijk het nog een keer te mailen.

Azu Nwagbogu, curator van de Nigeriaanse African Artists’ Foundation komt bij ons staan. Gezamenlijk gaan we op de foto, we poseren onder een decor van hangende blauwe vlakken, in verschillende tinten, met hier en daar een wit kledingstuk.
   Azu is openhartig, hij neemt me mee naar een paar panelen waartussen El Hadji Sy (1954) uit Dakar exposeert. El Hadji is er zelf ook en Azu vraagt ook hem op de foto te zetten.

  El Hadji maakt grote schilderingen, houtskool op jute, acryl, maar ook touw en teer. Een ruige techniek. Mystiek; mensen, vissers en boeren, koeien. Het is illustratief, soms alsof er een verhaal wordt verteld.

   In de hoek is een installatie dat meer op een biologisch experiment lijkt. Vijf verschillende planten zijn ordelijk op grootte neergezet, achter elkaar. En dezelfde planten, ruim dertig staan ernaast, ook geordend op grootte. Ze zijn dus per rijtje later geplant, misschien anders gevoed, en zo in vijf lange rijen in de hoek gezet. Allemaal in dezelfde gewone terracotta bloempotten, je ziet ze letterlijk groeien.

   Naast de hangende boten hangt een monumentale kluwe met dikke strengen rode wol. Het is van Cecilia Vicuña maar het had ook van Maria Roosen kunnen zijn waarvan ik eerder in Schiedam iets soortgelijks zag.

   We komen via de westkant, waar een grote glazen wand de Documenta Halle van licht en uitzicht op het rivierdal voorziet, in enkele donkerder ruimtes. In een zaal hangen fijne inkttekeningen van Ernest Mancoba. Abstract, het zouden poppetjes kunnen zijn. Krassend getekend met hier en daar een lichtgekleurd vlekje aquarel. Je kunt er een verhaal bij bedenken maar je kan het ook puur esthetisch zien. Vrije grafiek.
Dit soort werk laat je de opzet van deze Documenta relativeren want dit Kassel, deze documenta 14 die ook in Griekenland is, gaat ook over Griekenland, over vluchtelingen en oorlog. Oorlog en mensenleed zijn in de hele kunstgeschiedenis terugkerende thema’s. We leven niet meer in de Romantiek. Van schilders wordt niet meer verwacht dat ze landschappen, weelde en engelen op het doek zetten maar de hedendaagse kunstenaar kan scoren met kommer en kwel. Twijfel maakt zich van mij meester. Ik ben ook helemaal geen vluchteling, oorlogsslachtoffer, probleemgender, misbruikt, allochtoon, zonder armen of gewoon hedendaags ongelukkig met een getormenteerde ziel. Mijn engagement betreft de hedendaagse kunst, het tijdsbeeld zelf. Hoe zal de trent zich ontwikkelen en wat is de functie van de musea daarin. De keuzes die de curatoren maken zijn dezelfde als die van de subsidiërende instanties. Ze lijken te willen profiteren van dezelfde geldstroom. De politiek bepaalt het fuctioneren van de subsidiënten, de subsidiënten kiezen voor de kunstenaars die aan het engagement voldoen van de hedendaagse politieke klaagzang. De cirkel is rond.

     Weer buiten in de verte het Parthenon van boeken en het Fridericianum. We lopen naar de auto en daar zijn er etalages met kunst ingericht en in een souterrain is het (levens)verhaal van Nassib’s Backerei te zien in teksten en geschetste portretten.


   In een anti-kraakruimte ernaast is de Noorse kunstenaar Joar Nango (1979) in zijn ‘nomadische fase’ druk een performance aan het voorbereiden met uit de buurt bij elkaar gescharreld materiaal als schors, neon, takken, dierenhuiden en een achtkanaals geluids-installatie. Buiten zijn ook een paar gasten met hout aan de gang. Genoeg gezien voor vandaag, we moeten nog een eindje. Tot zover Kassel.