Museum der Bildenden Künste, Leipzig


9 juni 2017

Vanuit Jena rijd ik, nog steeds met Frank, naar Leipzig. Het Museum der bildenden Künste is een modern en statig gebouw midden in het centrum. Eigenlijk is het een enorm rechthoekig betonnen bouwwerk omkleedt met glazen gevels.

Will be translated.

  In de entreehal is het al meteen raak. Er staan een paar grote bronzen maar de aandacht wordt getrokken door een klok heel hoog aan de muur. Een gewone klok, zoals je op stations ziet, streepjes op de plekken van de nummers en kortere streepjes op iedere minuut. Het bijzondere is dat je kan zien hoe laat het is terwijl de wijzerplaat hard ronddraait. Vooral omdat de rand van de klok zwart is lijkt de hele klok te draaien. De wijzers staan goed, het is half elf. Die werveling van draaiende streepjes rond de wijzers roept een intens moment van verwarring op omdat het door de schijnbaar stilstaande wijzers even is alsof de tijd stil staat.

Als ik even later mijn camera richt op een gestileerd brons van Theo Balden, waarbij een zittende man een geheel opengeknipte krant leest, word ik door een jonge suppoost aangesproken: ‘Nicht Fotografieren.’ Als je foto’s wil maken moet je daarvoor een Ausweis à € 2,50 halen bij de balie. Maar met mijn IAA card krijg ik van hem toch toestemming om foto’s te maken.


Van Max Klinger staan er een paar zorgvuldig afgewerkte marmeren naakten, zo glad en realistisch gebeeldhouwd dat het de kopieertechniek van Thom Puckey evenaart, anatomisch welhaast perfect. Dit is handwerk en je ziet dat Klinger het marmer op kleur heeft uitgezocht. De modellen zijn ook niet zo mager, het is meer warm vlees dat leeft.


Tussen de realistische schilderijen en beelden van Max Klinger staan de simpele grove figuren van Lüpertz. Archetypische koppen, bijna cartoonesk en bevlekt met primaire kleuren, alsof ze van papier-maché zijn. Lüpertz’ Hektor Kopf uit 2014 is wel anderhalve meter groot.  


   In de volgende zaal is een overdadig beeldhouwwerk van een witmarmeren man in een geel gewaad zittend op een bronzen troon en met ingelegde witmarmeren engeltjes naast een zwart marmeren adelaar. Als ik weer een foto wil maken komt er een andere suppoost naar me toe, een oudere vrouw: ‘Nicht Fotografieren, verboten.’


   Ik besluit naar beneden te lopen en doe mijn verhaal aan de balie. De receptioniste geeft mij de hoorn van de telefoon en een man aan de andere kant van de lijn zegt dat hij wel even naar beneden komt. Het is het hoofd pr, de heer Jörg Dittmer.    
Ik neem mijn kans waar om hem naar de gegevens te vragen voor de index (zie ook hier: ) achter in het boek, hij weet de cijfers van de collectie uit zijn hoofd. Na het gesprekje schudden we handen en hij geeft me een ‘Guest card’.


   Als je de brede houten trap oploopt kom je in een grote hal in het midden van de verdiepingen. Deze is karakteristiek voor de open architectuur. In de verte aan de overkant achter een balustrade van een verdieping hoger staat een grote gestalte van, dat moet haast wel, Lüpertz. Ondanks het tegenlicht van de lichte betonnen muur erachter herken je zijn stijl: een kleurig gevlekte man met een te groot hoofd staat onverschillig te steunen op... een schilderspalet. Zou het een zelfportret zijn? Lüpertz was twintig jaar directeur van de Kunstacademie Düsseldorf.


We lopen langs de sokkels met de bronzen van Markus Lüpertz die zich in het midden van de hal bevinden. Het lijken studies, half afgewerkte beelden, grof, soms zonder armen of benen, alleen een torso of alleen de onderkant van een lijf. Abstracte figuren balancerend op een bol of zittend op een wit paard zonder benen; Keizer Karel de Grote. Soms onherkenbare gestaltes, dieren, en soms herkenbare klassieke figuren met een paardenstaart (Mozart). De grove bronzen zijn allemaal slordig beschilderd, niet alleen slordig qua vormen, maar ook niet goed dekkend. Dat zal opzettelijk zijn want de kleuren zijn wel helder en dat contrasteert fijn met de donkere ondergrond.


Verderop in deze hal wat hoger tegen een muur hangen twee beschilderde houtgesneden portretten van Stephan Balkenhol, dezelfde soort ronde bas-reliëfs als die ik voor het eerst in Luxemburg zag.


Op de tweede verdieping betreden we een zaaltje met achterin een wit driedimensionaal berglandschap over de hele breedte van de ruimte, een paar meter diep. Het witte landschap is aan de voorkant afgesneden en daarin zitten drie lage deurtjes. De buitenste deuren zitten op slot maar de middelste staat op een kier. Enigszins bukkend lopen we erdoor.

   Aan de andere kant lopen we het gangetje uit en komen plotseling ruim een eeuw vroeger uit. Negentiende-eeuws werk. Maar een verdieping hoger is een zaal ‘Gegenwart’.


In het midden staat er een abstracte geblokte sculptuur met verschillende vlakken in kleur. Het is een architecturale sculptuur van de Berlijnse Thomas Scheibitz (1968) uit 2008 en het heet Miss Sarah Sampson. Vies beschilderd.


   We lopen nog langs een nonchalante Johannes de Doper van Rodin en gaan dan naar de kelder, de wisseltentoonstellingen. Morgen is het de laatste dag van de exposities DDR auf Wänden en Nolde und die Brücke. Ook hier aanwezig: Wolfgang Mattheuer, niet met beelden maar met surrealistische schilderijen van weidse landschappen met grijs geasfalteerde wegen en daarop geschilderd: auto’s. Frank maakt zich er vrolijk om, een auto op een schilderij, tussen de wat meer klassiek ogende schilderijen. Strak geschilderd, zorgvuldig. Dat zie je inderdaad niet vaak in musea. Ik zag geschilderde auto’s in de Kunst Rai van Jan Ros en in het boek van Gijsbert Van der Wal waarin hij schilderijen van Arie Schippers beschrijft. Maar in de kunstgeschiedenis? Oké, je ziet weleens wat oldtimers tussen de rijtuigen in straten van Pisarro. Hier zijn de wegen in een decor van een gedenkplaats bij een waterpartij tussen groene weides en met wolkenstrepen in de blauwe lucht van Leipzig.


En op een ander schilderij met auto’s dat Achter de zeven heuvels heet vliegt een engel met ballonnen.   
Als we denken dat we alles gezien hebben gaan we naar buiten, de parkeergarage is dichtbij, en dan breng ik Frank naar het station. Hij gaat naar het zuiden, terug naar vrouw en kind in Jena en ik rijd door naar het noorden; Berlijn.