Berlinische Galerie, Berlijn


Will be translated.

   Het is nog steeds 10 juni 2017. We zijn vanaf Hamburger Bahnhof op de fiets binnen no time bij de Berlinische Galerie. Voor op het plein is een betegelde gele vloer van vijf meter breed en tien keer zo lang. Nee, het zijn geen tegels maar het wekt de schijn van tegels. Een dikkere gele massa vormt de tegels met in ieder tegel een uitgesneden letter. Een soort van doorlooppuzzel. Ik lees Baselitz, Kienholz en meer namen van bekende kunstenaars. De letters vormen een verzamelplek.     

   Binnen, als je na de kassa een schemerige ruimte inloopt kom je in een kakafonie van vreemde geluiden. Het maakt me nieuwsgierig. Een bekend soort speeltuin met allerlei rommel. De in Berlijn woonachtige installatiekunstenaar John Bock (1965) heeft zich hier mogen uitleven. Onderdelen van een drumstel liggen rommelig verspreid op een podium tussen vier schotten. Kleurige projecties op de wanden.

   Een installatie met een doorgezaagde auto is als in een filmset, je kunt er plaatsnemen op de voorste stoelen. Achter het achterraam van de rode Volvo zie je de weg, geprojecteerd vanaf het dak van de auto. In plaats van een camera aan de voorkant wordt er, voor de bezoekers die nu in de stoelen hebben plaatsgenomen, een film gedraaid van een man en vrouw in de auto die zojuist een ongeluk hebben gehad. De man op de film haalt wat onbeholpen een rits worstjes met ketjup uit zijn blouse, dat moeten zijn darmen zijn. Zij klaagt en jammert. Een zich drukmakende regisseur geeft hoorbaar aanwijzingen. De bezoekers kijken geamuseerd toe.


   Er is een foto-expositie; reisfoto’s vanaf 1880 tot 2015.
Daar blijf ik een tijdje stilstaan bij foto’s van na de tsunami in 2011 in Japan. Deze tsunami foto’s van Hans-Christian Schink (1961) zou je kunnen vergelijken met die van Max Boumann (1961), waarvan hier ook foto’s hangen van vervallen gebouwen en constructies. Het is een zelfde soort verval. Alleen het vehaal van de tsunami kent iedereen maar bij de foto’s van Boumann mis je het achtergrondverhaal. Het is te willekeurig. Verval is overal, daar hoef je niet een getraind fotografenoog voor te hebben. Het is al snel esthetisch. Maar bij die van Hans-Christian ga je je bedenken wat een enorme kracht dat water gehad moet hebben om een stalen staketsel van een gebouw te kunnen verwringen of hele huizen weg te vagen. Je ziet oppervlaktes van hele wijken met alleen talloze funderingen en hier en daar een betonnen restant van een huis. Het krijgt iets spookachtigs. Dit verval heeft slechts minuten geduurd.

   Tobias Zielony (1973) heeft sfeerfoto’s uit de serie Trona, Armpit of America, 2008. Desolate locaties met bijvoorbeeld een meisje met een sigaret, een familie, een paar jongens en een meisje bij een autowrak of een slapende of gevallen fietser bij een hek.



    Een eigen zaal is voor de Zwitserse Christine Streuli (1975). Er hangen grote monumentale doeken en een kleinere serie mixed media op papier. Het gevoel bekruipt mij dat ik het werk ken. Maar het is niet zo. Gestoei met tegengestelde vormen en kleuren met het gebruik van sjablonen. Vooral vlekken maar ook druipende verf en inkt en zij maakt zo te zien gebruik van verschillende druktechnieken met allerlei objecten. Een groot kleurenpalet. De serie collages doen denken aan het werk van de Nederlandse Monika Dahlberg; met felle kleuren de gezichtjes op politieke taferelen beplakken waardoor het een andere lading krijgt; humoristisch en cartoonesk.




   Op een hele wand heeft Streuli een gerasterde zwart-wit foto uitvergroot. Het is een ontploffing in een landschap. Door ook hier in fel oranje twee vlekken als ogen in te plakken lijkt het een zwart beest te zijn geworden. Door het wollige van de wolken een knuffelbeest.




    Het ‘Absurde Berlijnse Dagboek’ van Emilio Vedova staat in de aangrenzende, even grote zaal als van Streuli. Het zijn abstract en wild beschilderde metersgrote platen. Ze staan en hangen kriskras door de ruimte en lijken door de schijnbaar onverschillige opstelling van karton maar het zijn platen multiplex, dikker dan een centimeter. Sommige platen hangen aan dikke touwen.
   Ik zie me Emilio voor me in een gast-atelier in Berlijn 1964. Hij laat de stad en de daarbij behorende politieke verdeeldheid op zich inwerken en schildert het wild van zich af.  Dit museum is doordrenkt met Berlijn. Veel werk gaat over Berlijn, veel kunstenaars die hier exposeren hebben iets met Berlijn. Ze hebben hier geleefd, gewerkt of wonen hier nu.     
  Behalve de reisfoto’s. Die laten me afvragen wat er Berlijns aan is. Ja oké, de makers zijn Berlijns. Dan zie ik een overeenkomst tussen de verschillende internationale musea. Het heeft te maken met het tijdsgewricht waarin we leven, we kunnen nu met internet overal tegelijk zijn en we kunnen begrijpen dat er overal zich vanalles afspeelt. Zo kun je in ieder museum overal terecht komen. Berlijnse kunstenaars zijn ook in andere musea te zien.


   In het midden van het museum is een grote hal waarin diagonaal en kruislings twee evenwijdige luie trappen die halverwege verbonden zijn. Boven zijn de zalen met de vaste collectie. Het zijn voornamelijk schilderijen met hier en daar een bronzen sculptuur.

   De Modernen, Nieuwe zakelijkheid, expressionisme in Berlijn, Kunst na de Eerste Wereldoorlog, Constructivisme, Berlijn als draaischijf tussen Oost en West, Berlijn na de Tweede Wereldoorlog, abstracte trends rond 1950 tot en met de Fluxus. Alles keurig in chronologische volgorde.    

   Bij de ‘Heftige Malerei’ van Marwan; een grillig geschilderde loensende man met een enorm hoofd en een derde been, een damesbeen, achter zich, zijn twee jonge Françaises elkaar aan het fotograferen. Ze schrikken en voelen zich betrapt als ik de zaal binnen loop maar als ik moet lachen gaan ze er opgelucht mee door. Het is een fraai contrast maar ik zie ook harmonie. Tussen twee gruwelijke en kleurige schilderijen van getormenteerde mannen poseert een van de meiden, met rood haar in een kleurige blouse en met een tattoo op haar been.


   Na nog wat schilderijen over de muur te hebben gezien, een felgele muur uit 1977 van Rainer Fetting (1949), ga ik weer naar buiten, het hedendaagse Berlijn in.