GEM & Fotomuseum, Den-Haag


Will be translated.
  Het is 23 september 2017, we zijn in Den Haag. Bij het restaurant, het museum is nog niet open, hangen een aantal geblokte foto’s. Je kent dat wel, door een computer sterk uitvergrote of vereenvoudigde foto waardoor het beeld zich vertaalt naar een compositie van vierkante blokjes, pixels. Deze foto’s maakte de Fransman Jean-Jacques Calbayrac (1987) als Gameboycameraman met, inderdaad, een camera uit 1998 van Nintendo met zeer lage resolutie. Het resultaat is fijn, het mogen, nog net, foto’s zijn. Mensen herken je het eerst, je ziet korrelige mannetjes, gebouwen, auto’s en gezichten, de meeste in zwartwit. Een vliegende vogel uit nog geen vijftig pixels en een oranje luchtballon uit beige tot gele, roze en rode tot zwarte pixels. Als ik te dichtbij kom moet ik achteruit stappen om een marathonloper waar te nemen (boven).

   Gem is een museum voor actuele kunst. Daar exposeert Maaike van Schoorel (1973). Grote minimalistische, op het eerste gezicht abstracte monochrome werken hangen rustig verspreid op de verder kale muren. De doeken ogen smoezelig, bevuild. Grijs, of met kleurige transparante vlekken aangetast, alsof het een tijdje op de keukenvloer heeft gelegen. Als je er dan eens rustig naar gaat kijken ga je dingen in de vlekken zien, zoals je ook in wolkenluchten figuratie kan zien. Maar dan zie je een gezicht, armen en een fles. Het is bij nader inzien honderd procent figuratief.


   Het wordt een uitdaging om eerst te zien wat het is en het daarna te lezen op het kaartje ernaast. De Picknick laat zich snel raden maar in de Parnassia Beach kun je moeizaam een mensenfiguur ontdekken. Het blijft teveel een beige vlak. Ook is een Thunderbolt’s Wife moeilijk te traceren, het lijkt op een negatief van een plaatje op internet van Mary Ann Bugg, "Captain Thunderbolt's Lady".

   Bij het schilderij Island View bedenk ik mijn eigen herinnering naar aanleiding van de vage vlekjes die ik niet echt kan duiden. Het was in 1983 op het eiland Dominica. We stonden op een veranda naar beneden te turen door de mist en wachtten op een vliegtuigje met aan boord de Londense band Steel Pulse. Je zag enkel wat vage bananenbladeren en terracotta en golfplaten dakjes. De zee met de landingsbaan ernaast waren net zo onzichtbaar als hier op het schilderij Island View. Het vliegtuig zou die dag niet landen wegens slecht zicht.

   Een zwart schilderij wordt lang bekeken door een zwarte man.

   We lopen via een brede luie trap naar de eerste verdieping van het fotomuseum dat zich onder hetzelfde dak bevindt. De expositie van Hans Eijkelboom is er een waar je na een uur nog niet uitgekeken bent. Hoe verschillend de mensen zijn en hoe verschillend één mens kan zijn, hoe we elkaar in hokjes indelen en ingedeeld worden, Eijkelboom laat dat heel duidelijk zien in de periode vanaf 1970 tot nu. Zijn oeuvre gaat over identiteit. Hij documenteert. Hans laat zichzelf fotograferen met mensen die hem eerst mogen kleden met kleding waarvan ze denken dat deze het beste bij hem past. Natuurlijk verschillen de foto’s.

   Er hangt een serie portretfoto’s van Hans Eijkelboom, van 1949 tot 2009, waaronder steeds een foto van een fotocamera die per jaar is uitgebracht.
   Je ziet Hans in dezelfde kleding in verschillende omgeving en Hans in verschillende kleding in dezelfde omgeving.
   Heel humoristisch is een serie krantenpagina’s. Hans Eijkelboom heeft het gepresteerd om tien dagen achter elkaar iedere dag in ten minste één krant op de foto te staan. Naast de pagina’s hangt steeds de foto, uitvergroot, waarop hij te zien is bij een opening, ongeluk of ander nieuwsbericht.

   Een serie van vierenvijftig mensen in een groene loden jas heeft hij binnen twee uur kunnen fotograferen. Zij zijn gepresenteerd op de manier als de series die ik in het Stadtmuseum in Kassel zag. Overigens hangen er daarvan ook een groot aantal hier, dat kan net want Documenta is vorige week afgelopen. Deze avond zie ik op tv de herhaling van een interview met Hans Eijkelboom waarin hij vertelt hoe hij de series maakt: ‘Ik ga naar een drukke winkelstraat en dan dringt een onderwerp zich vanzelf aan mij op waarna ik zo’n dertig foto’s maak, altijd binnen twee uur. Het mag niet langer duren want dan is het te weinig aanwezig in het straatbeeld.’ En hoe intrigerend het werkt blijkt ook nu weer. Want ook al had ik ze in Kassel uitvoerig bekeken hier vallen weer andere op: kinderen met vlechtjes, bontjassen met zonnebrillen, blote buiken, koppels met exact dezelfde kleding, grof geruite truien of mensen die kinderen dragen.    
   Er hangt een grote foto, pigmentdruk uit 1978 van een demonstratie in Warschau. Het grappige is dat de demonstranten allen borden met het portret van Hans Eijkelboom dragen.
   Evelien is aan het lezen. Hans had honderd vrouwen aangeschreven met de vraag naar het uiterlijk van de ideale man. Met de reacties, soms met tekeningen, is Hans aan de gang gegaan en heeft zichzelf steeds getransformeerd naar de ideale mannen.

   Hardop moet ik lachen als ik dezelfde serie weer zie die in Museum Arnhem hing bij de expositie Spiegeloog, die over selfies ging. Zes reclameposters waarin Hans zich op dezelfde manier heeft neergezet als het originele model in de originele setting. Hij zal daar veel lol aan gehad hebben (foto onderaan). Grijnzend een Hofnar sigaar aanprijzend met “Misschien een tikkeltje te wild, amigo?” En al even vrolijk met een fles Jägermeister in de hand, met een glas Heineken zijn snor wit makend of in een roeiboot met een pakje shag. Het ziet ernaar uit dat hij, nu eens strak in pak en kapsel met een serieus gezicht bij Tabaco Original, For men of the world, moeite had zijn lach in te houden.

  Via een paar trappen kom ik weer op de begane grond. Daar zijn een paar zalen ingericht met zwart-witfoto’s van Peter Hujar. De onderwerpen die zijn gekozen zijn uit een tijd dat nog niet iedereen een camera had, het midden van de vorige eeuw. Een eenzaam paard, liggend naakt, Het World Trade Centrum New York bij zonsondergang, Een dode en half verteerde kat, een man en een jongen in Italië... opeens realiseer ik me wat deze foto’s zo aantrekkelijk maakt. Het is omdat we het niet meer gewend zijn dat er zoveel aandacht aan het maken van een foto wordt besteed. Het is niet digitaal, niet even een snapshot met een mobieltje. Er is over de compositie en de scene nagedacht. Het hele proces van fotograferen is voelbaar. Een gevulde waslijn is een prachtfoto, geen fotoshop.

   Hujar fotografeerde ook veel beroemdheden, bij de ingang hangt een lijst van zevenentwintig van hen die hier hangen. Je ziet de benen van Dana Reitz en Greer Lankton. Candy Darling, één van Warhols superstars, op haar sterfbed, nog steeds poserend als een ster, inclusief roos. Daarnaast de baby van twee van Robert Christgau. Jazzzangeres Peggy Lee, fotografen, schrijvers, filmers en meer kunstenaars.

  Met op het netvlies Christopher Street Pier (5), een groepje Afro-Amerikanen langs de kade, bungelend op een touw verlaat ik het museum.

   Het is eigenlijk toevallig dat we hier vandaag zijn op deze eerste dag van de expositie van Hans Eijkelboom. De reden voor ons om naar Den Haag te gaan was een interview van Isabelle Paagman met verzamelaar Bert Kreuk naar aanleiding van zijn boek Artflipper. Isabelle Paagman wordt aangekondigd als senior director contemporary art bij Sotheby's in Londen maar is tevens het nichtje van de boekhandelaar Paagman, bij wie het interview plaatsvindt.

   Isabelle is geen journalist, dat blijkt. Tijdens het interview haalt zij regelmatig haar eigen werk en haar contact met Bert Kreuk aan maar Bert neemt het gesprek over en zij komt niet goed meer aan haar vragen toe. Ook wanneer Isabelle de affaire met Danh Vo aanhaalt, waarin zij met ‘de artistieke vrijheid’ van Vo en diens ‘daarbij behorende buitenissigheden’ Vo lijkt te willen verdedigen weet Bert Kreuk dit makkelijk te pareren door te zeggen dat een kunstenaar niet boven de wet staat.

  Veel van wat Bert Kreuk vertelt komt overeen met wat in Museale Beelden beschreven wordt maar dan bezien vanuit de ogen van een verzamelaar. De essentie is de passie voor kunst. De discrepantie tussen kwaliteit en geldelijke waarde is groot. Dat komt onder andere doordat de markt wordt beheerst door galleristen met wachtlijsten en de happy few ‘darling-kunstenaars’ die hun opgeblazen status niet meer aankunnen waardoor ze zwakker gaan presteren. Meer en slechter werk gaan maken voor nog meer geld. Daarna stort de bubbel weer eens in. Zo vertelt ook mijn museumcontainer dat miljoenen kunstenaars die nog wel met hartstocht kwalitatief werk maken niet door de musea getoond worden. Of misschien toch? na jaren, als de kunstenaar het maar volhoudt. Zoals Hans Eijkelboom.